De omandersman

Dit is een droef maar waargebeurd verhaal.

Toen de ouders van Danny Amaruiz jaren geleden met hun elfkoppige kroost van Cuba naar België verhuisden, konden ze niet vermoeden wat de toekomst voor hen in petto had. Vader Amaruiz zag België als het beloofde land, waar al hun dromen zouden uitkomen. Moeder de vrouw volgde gedwee, met in haar kielzog elf kleine cubaantjes. Danny was de jongste en de minst opvallende van het gezelschap. Maar daar zou gauw verandering in komen.

Toen Danny in het vlaamse lagere onderwijs werd gedropt, was er in eerste instantie niet veel aan de hand. Het kind was de taal niet machtig, maar door zijn exotische uiterlijk en voortdurende glimlach wist hij desalniettemin vlug een aantal vriendjes te vinden. Na enkele weken sprak de kleine jongen al een aardig mondje nederlands, en ook frans en engels bleken hem erg goed af te gaan. Het mag dan ook niet verbazen dat de familie Amaruiz in de loop van het schooljaar bezoek kreeg van de directeur, die beide ouders kwam feliciteren met de opmerkelijke taalkundige vooruitgang van hun oogappel. En daar bleef het niet bij. Op het eerste rapportje dat Danny mee naar huis bracht, stonden alleen maar negens en tienen. Al gauw werd hij dan ook door familie, buren en vrienden tot een regelrecht wonderkind gebombardeerd. Dat had vooral als gevolg dat Danny voor elke onbenulligheid - zij het bij de bakker dan wel aan het gemeenteloket - als fulltime familietolk werd aangesteld. En daar werd onze kleine held niet echt gelukkiger van.

Hoe vaker Danny’s onmondige familieleden een beroep deden op zijn taalvaardigheid, hoe rebelser hij werd. Het duurde dan ook niet lang voor Danny transformeerde tot een vervelende tegendraadse puber die nee zei als grote mensen ja verwachtten en omgekeerd. Op school ging hij steeds minder zijn best doen, en de aard van zijn vriendenkring baarde zijn ouders ernstige zorgen. Het gebeurde regelmatig dat Danny betrapt werd op alcoholmisbruik, spijbelen of vandalisme. Na ettelijke slaande ruzies en onverzoenbare tegenstellingen verliet Danny op zeventienjarige leeftijd het ouderlijke huis. Hij logeerde eerst een aantal maanden bij vrienden, totdat hij een job vond als postbode. Met behulp van zijn eerste loonstrookjes wist hij een klein appartementje te huren in Mol, op wandelafstand van het Studiecentrum voor Kernenergie. Hoe groot de invloed van de keuze van zijn woonplaats in zijn latere leven zou worden, kon Danny op dat moment nog niet bevroeden.

Als postbode deed Danny het goed, maar niet uitmuntend. Hij werd een paar keer op de vingers getikt wegens laattijdigheid, maar over het algemeen was hij best gelukkig met zijn werkuren. Hij was een onopvallende werknemer die bij zijn collega’s bekend stond als een stille en ietwat rare zonderling. Zijn leven kabbelde een tijd quasi onopgemerkt aan hem voorbij en niets wees erop dat het ooit anders zou worden.

Tijdens zijn vierentwintigste levensjaar werd de wereld van Danny Amaruiz abrupt door elkaar geschud.

Na een uit de hand gelopen discussie met zijn toenmalige vriendinnetje trok Danny op een avond de nacht in gang in café The Cocktail, waar hij het plaatselijke record tequila zwelgen aan diggelen dronk. Toen de maan al hoog aan de hemel stond, trok Danny ladderzat weer huiswaarts. Met zijn roestige tweedehandse fiets zwalpte hij door de verlaten straten van Mol. Toen hij bijna thuis was, verloor zijn dronken kop de controle over het stuur en reed Danny pardoes in een klein beekje aan de straatkant. Lazarus als hij was, viel hij in de modder van het beekje als een blok in slaap. Een halve meter verwijderd van de plaats waar hij zijn roes lag uit te slapen, stak een roestige oude buis uit de grachtrand. Uit de buis druppelde een onwelriekend groen goedje. Aan de andere kant van het beekje stond een hoge metalen omheining en achter die omheining lag het Studiecentrum voor Kernenergie. In het volle maanlicht zag het gebouw er blauw en onheilspellend uit.

Rond een uur of zeven werd Danny gewekt door een bejaard vrouwtje dat hem met haar wandelstok ongegeneerd in zijn kruis stond te poken. Met een houten kop en stinkende modderkleren waggelde Danny huiswaarts. Daar aangekomen, bleek zijn vriendinnetje haar koffers gepakt te hebben.

Danny nam een douche, dronk een tas koffie en vertrok - scheel van de koppijn - naar zijn werk. Hij was ruim anderhalf uur te laat, en werd bij zijn afdelingshoofd geroepen. Toen hij de kantoorruimte binnenkwam, voelde hij een vreemde kriebel in zijn keel, alsof er plotseling een vervelende hoest kwam opzetten. De kriebel leek via zijn stembanden naar zijn mondholte te kruipen, en voor Danny er erg in had, brulde hij Ge zijt ontslagen, lamzak! naar zijn chef, die hem verbouwereerd een enveloppe in de handen duwde. De enveloppe bevatte een ontslagbrief, en er restte onze verbaasde held niet veel meer dan werkloos huiswaarts te keren.

In de dagen na het voorval ging het slecht met Danny. Hij voelde zich suf en grieperig, en de wereld leek in slow-motion aan hem voorbij te trekken. Hij schrok soms abrupt wakker uit een diepe slaap, en constateerde dan dat hij aan de keukentafel was ingedommeld. Een vriend wilde hem opbeuren door hem enkele dvd’s kado te doen, maar Danny vond het maar niks dat ze tegenwoordig godverdomme bij zowat elke film in de eerste vijf minuten al verklappen hoe het afloopt. Ook muziek kon hem na verloop van tijd niet meer bekoren, omdat elk nummer dat hij beluisterde satanische boodschappen leek te herbergen. Na een paar weken voelde Danny zich fysiek weer wat beter, maar de geestelijke verwarring nam in omvang en frequentie toe. Hij voelde zich vaak angstig en meende af en toe stemmen te horen. Om niet in eenzaamheid of psychoses weg te glijden, stortte Danny zich als een wildeman in het Molse nachtleven.

Hij ontwikkelde echter al gauw een reputatie als zonderling, onder andere door meisjes steevast aan te spreken met bizarre openingszinnen als Ik vraag de scheiding aan, trut! of Is er iemand anders? Ook het plaatselijke horecapersoneel bekeek Danny met argusogen, omdat hij regelmatig met een pas leeggedronken bierglas in de hand ging klagen dat er verdekke geen bier in mijn pint zit, kloothommel. Als excuus achteraf en verantwoording voor dergelijke uitspraken gebruikte de nachtbraker wel eens het Tourette-syndroom, maar diep vanbinnen wist hij dat het iets anders was. Er was iets aan de hand in zijn hoofd, maar hij wist niet goed wat. Hij trachtte het wel eens te analyseren, maar kwam in gedachten telkens uit bij een onverwachte conclusie waarvoor elke premisse of redenering ontbrak. Danny voelde zich als de laatste pagina van een boek waar alle andere bladzijden waren uitgescheurd.

Het gebeurde steeds vaker dat Danny uitspraken deed waar hij zich achteraf over schaamde, en het contact met de mensen rondom hem verliep met de dag problematischer. Zijn vriendenkring dunde langzaam maar zeker uit tot er zo goed als niemand meer overbleef. Onze held werd een onbegrepen eenzaat en zijn zorgeloze jeugd als taalvaardige tiener was nog slechts een vage herinnering.

Op het hoogtepunt van zijn verwarring schreef Danny zich in voor een cursus Engels en Frans. Het feit dat hij beide talen al vele jaren vloeiend sprak, leek in eerste instantie aan hem voorbij te gaan. En hoewel zijn cursus-docente de talenknobbel als dusdanig al vlug ontmaskerde, weigerde hij het aangegane engagement stop te zetten. Er dient gezegd dat dat minder met zijn verwarde toestand dan met het bloemrijke décolleté van zijn docente te maken had. Uiteindelijk resulteerde zijn engagement voor dat décolleté in een van alcohol vergeven afspraakje, waarbij beide partijen elkaar de loef probeerden af te steken met hun kennis van de franse tongval. Aan de dronken date kwam echter in het holst van de nacht een eind toen Danny out of the blue zijn docente verrot ging schelden en brulde dat ze hem godverdomme de voogdij over de kinderen niet zomaar mocht afnemen. Hevig geschrokken liet de dame haar dating partner voor wat hij was: een eenzame en losgeslagen malloot die niet begreep hoe het ooit zover had kunnen komen.

Kwaad op de wereld en in tranen wandelde Danny die nacht naar huis. Verwarde beelden van begrafenissen en film-aftitelingen spookten langs zijn vertroebelde geestesoog. De wanhoop in zijn hoofd maakte van elke stap een martelgang en Danny kon amper zijn ene voet voor de andere zetten. Het voelde haast alsof hij achteruit liep. Ik zit gevangen in een film van David Lynch, dacht hij nog, maar zelfs om zijn eigen grappen kon hij toen al niet meer lachen.

Plotseling was het genoeg voor Danny. Hij kon niet meer op zijn benen staan en was al zwalpend zodanig verdwaald dat zijn gevoel voor oriëntatie de pijp aan maarten had geschonken. Moe en door psychotische gedachten getergd besloot Danny dat het zo wel mooi was geweest. Zonder doel en met niks om nog voor te leven, liet Danny zich onder begeleiding van het maanlicht in het Kanaal Dessel-Kwaadmechelen vallen. Dat zou zonder twijfel zijn laatste daad als levend wezen geweest zijn, ware het niet dat zijn lot - verknipt als het was - iets anders voor hem in petto had.

Volgende beschrijving is afkomstig van een oplettende zondagsvaarder die de slaap niet kon vatten, en aldus per toeval getuige werd van een zeer merkwaardig tafereel. Terwijl de bootsman rond een uur of vier ’s ochtends over de reling van zijn vaartuig hing met een sigaretje in de hand, hoorde hij aan de overkant van het kanaal een geluid dat hij later op het politiebureau zou beschrijven als een doffe snolp. Hij besteedde er op dat moment weinig aandacht aan, maar tien minuten later gebeurde er iets waar hij moeilijk naast kon kijken. Uit de dieptes van het donkere water werd met veel lawaai een roestig autowrak de lucht in gekatapulteerd. Het verdronken voertuig schoot als een dolfijn de lucht in, en belandde met een onzachte klap achterwaarts op de berm naast het kanaal. De onthutste zondagsvaarder hoorde de versleten versnellingsbak kraken en rammelen. Na de landing hobbelde de wagen in de richting van het asfalt, om daarna in omgekeerde richting over het verkeerde rijvak te scheuren. De bizarre calvarietocht was echter van korte duur. Toen de weg een kleine bocht maakte, ging de rammelende roestbak vervaarlijk slingeren, en met kletterend gerinkel knalde de auto met de kofferbak tegen de voorgevel van een huis. Enkele minuten later werd een bewusteloze bestuurder door buurtbewoners uit het wrak gehaald. Er werd een ambulance gebeld, en tijdens de rit naar het ziekenhuis controleerde een verpleger de jasinhoud en het paspoort van de onfortuinlijke nachtrijder. Zijn naam was Danny Amaruiz.

Danny werd twee dagen later wakker in een ziekenhuisbed. Aan zijn voeteneind zaten twee agenten die hem wilden ondervragen over de gebeurtenissen van de bewuste nacht. Danny kon echter geen woord uitbrengen. Het leek alsof zijn keel zat dichtgeschroefd. Op vraag van de agenten krabbelde hij desalniettemin een schriftelijke verklaring op een vel papier. Die verklaring bleek echter onbruikbaar voor de ordehandhavers en besluiteloos verwezen ze Danny door naar een wetsdokter. De onsamenhangende verklaring die Danny had neergeschreven, zag eruit als volgt:

Ach laat maar. Of nee, geen kusje. Kusje. Dag, Danny. Dag. Mag ik u mijn welgemeende groeten overmaken? Ik ben een held in het diepst van uw gedachten, maar niemand weet dat. Ik heb een raar gevoel in mijn achterhoofd. Een gevoel van naderend onheil. Alsof ik niet meer lang te gaan heb. Ik heb nooit de kans gehad hem van zijn ongelijk te overtuigen. Ik had een oom die toen ik klein was voortdurend liep te verkondigen dat de hele wereld naar de kloten zou gaan. En nu lijkt het alsof hij toch de waarheid sprak. Alsof het morgen allemaal gedaan is, terwijl ik dat niet eens doorheb. Alsof ik met mijn wagen in het kanaal duikel en terwijl ik verdrink, vergaat de wereld. Onopvallend, geruisloos maar plotseling. The little bang. Hop, weg. Alles weg. Maar dat is zever in pakskes, natuurlijk. Niet bang zijn hoor. De wereld vergaat niet zomaar. Ik moet niet zeveren. Ik heb niet eens een wagen. Onnozelaar. Heeft iemand mijn autosleutels gezien? Geachte lezer dezes brief, ziekenhuisbed, hier en daar, toen en dan.

Twee dagen later ontdekte een verpleegster vroeg in de ochtend dat Danny verdwenen was. Zijn bed was leeg maar netjes opgemaakt. Niemand had hem zien vertrekken. Even onverklaarbaar als de redenen voor zijn ziekenhuisopname, leek zijn vertrek een niet op te helderen mysterie. Er werd door de politie een poging gedaan om zijn familie te contacteren, maar dat leverde weinig op. Twee van zijn zussen bleken in de buurt te wonen, maar zij konden geen hulp bieden. Bovendien beweerden ze stellig dat de familie Amaruiz liever niets met de verloren zoon te maken had. Uit het politie-onderzoek bleek dat Danny vanuit het ziekenhuis enkele malen met een reisbureau gebeld had. Bij navraag bleek dat Danny een vlucht naar zijn geboorteland geboekt had. Al gauw werd hij spoorloos verklaard.

En daar zou nooit meer verandering in komen. Danny was de jongste en de minst opvallende van het gezelschap. Moeder de vrouw volgde gedwee, met in haar kielzog elf kleine cubaantjes. Vader Amaruiz zag België als het beloofde land, waar al hun dromen zouden uitkomen. Toen de ouders van Danny Amaruiz jaren geleden met hun elfkoppige kroost van Cuba naar België verhuisden, konden ze niet vermoeden wat de toekomst voor hen in petto had.

Dit is een waargebeurd maar droef verhaal.

Vandaag maar toen:
Mijn lief komt (proloog) - uit 2005
Liefste (013) - uit 2004

En u?

 
Ik vraag uw hand
Waar wordt u gelukkig van?