Het begin van iets
Op een dag begint er iets. En dan kan niks het nog tegenhouden. Geen muur hoog, geen slotgracht diep, geen prikkeldraad lang genoeg om het te stoppen. Want eens het begonnen is, kan niks - ik zeg het nogmaals - niks het nog tegenhouden.
Miranda stond op de top van een heuvel en keek uit over het dal. Fijn, dacht ze, fijn zo. Niks zal mij nu nog stoppen. Het dal lag er zonovergoten bij, en Miranda’s ogen schitterden als robijnen. Ze was vastberaden om er aan te beginnen. Ze was vaster beraden dan ooit iemand vastberaden was of ooit nog zou zijn. Achter haar stond een grote boom. Een dikke grote oude boom zoals alleen dikke oude grote bomen dik en oud en groot kunnen zijn, met een ondoordringbare schors en een kruin om u tegen te zeggen. Miranda deed enkele stappen naar achter, zei u tegen de grote boom en vleide zich aan de voet ervan neer tegen een dikke uitstekende wortel. De boom kreunde gemoedelijk en Miranda kreunde gemoedelijk terug. Ze overdacht even concreet de nabije toekomst. Want nu ze er eens aan begonnen was, leek een planning onmisbaar. Zoals gezegd kon niets het nog stoppen, en als je op zo’n moment onbezonnen zonder enige structuur te werk wil gaan, is het einde ver zoek. Het einde is sowieso altijd ver zoek en niet gemakkelijk te vinden, maar je kan maar beter weten in welke richting je moet gaan zoeken. En zelfs als je dat niet weet, kan je maar beter doen alsof. Niks zo belachelijk als iemand die niet weet waar hij naar toe gaat. Dus Miranda dacht even voor zichzelf op duidelijke wijze uit hoe haar korte termijn-planning er zou uitzien. Eens ze daar mee klaar was, stond ze weer recht, gaf de laagste tak van de boom een geruststellend schouderklopje, deed haar kleren uit en hing die aan de tak, greep een spade en begon te graven. Ongeveer op drie meter afstand van de boom, daar waar de schaduw van zijn imposante bladerdak overging in de blakende hitte van de middagzon, begon ze te graven. Ze groef zonder ophouden twee uur lang - want dat had ze zo gepland - tot de zon hoog aan de hemel stond en haar borsten glommen van het zweet. Ze groef een put van ongeveer twee bij twee meter en goed zes meter diep. Onderweg kwam ze een mol, twee veldmuizen, een hakbijl uit de vierde dynastie en heel veel zand tegen, en steeds groette ze vriendelijk. De veldmuizen hadden zich aan de rand van het gat gezet en keken geamuseerd toe. Het gebeurde niet alle dagen dat hun appartementje met harde hand werd omgebouwd door een naakt meisje dat blonk in de zon en ze besloten er het beste van te maken. Na twee uur - de zon stond inmiddels hoog aan de hemel - boden ze Miranda iets te drinken aan. Ze had toch net hun barmeubel aan gruzelementen gegraven, dus konden ze dat net zo goed meteen ledigen. Ze dronken samen een halve fles witte porto, een glas pastis en twee liter amaretto en vertelden verhalen over het leven onder de grond. Miranda leerde dat het voor veldmuizen heel moeilijk is om naar de supermarkt te gaan, dat er geen officieel veldmuizen-onderwijs bestaat en dat alle veldmuizen bijgevolg volledig autodidact zijn, en dat een halve fles porto en twee liter amaretto geen goeie hulpmiddelen zijn bij het graven van een diepe put. Straalbezopen en erg vermoeid viel ze in slaap.
Toen ze uren later weer wakker werd, was het reeds donker en klonk overal het vrolijke gezang van krekels. Deze ongeplande vertraging moest Miranda zien goed te maken, en uitgerust maar weliswaar zonder begeleiding van de koperen ploert groef ze verder, dit keer zonder oponthoud. Na enkele uren kwam er een uil in de grote boom zitten die de ritmische bewegingen van de spade kwam begeleiden met crescendo-gehuil en verder verbaasd toekeek. Miranda liet zich echter niet afleiden, en al gauw naderde ze het middelpunt van de aarde. Daar moest ze uiteraard even een omweg maken om niet te verschroeien in het kolkende magma van het middelpunt, maar eens ze daar voorbij was, ging het snel vooruit. Dapper werkte ze verder, en tegen de ochtend kwam ze aan de andere kant. De laatste meters moest ze met haar blote handen verder graven, want de spade was inmiddels veel te bot van het vele graven. Toen ze klaar was, ging ze aan de andere kant even aan de rand van haar put zitten om wat uit te rusten. Ze begon net te denken dat ze eigenlijk best wel grote honger had, toen er een norse grote neger met een gouden kroon op zijn hoofd op haar toe kwam gewaggeld. “Ik ben de koning van China”, meldde hij. “Welkom in ons mooie land.” Vriendelijk groette Miranda terug en vroeg of hij soms niets te eten had, want ze had namelijk grote honger gekregen van al dat graven. De koning van China sloeg zijn mantel over Miranda’s naakte lijf en bood haar aan mee te zitten aan zijn ontbijttafel. Daar had ze wel zin in, Miranda, ze had bovendien nog nooit een Chinees ontbijt meegemaakt en ze stemde blijgemutst toe. Samen wandelden ze langs een met bonsai-boompjes afgewerkte oprit naar de ingang van het koninklijk paleis. En zo begon het.






